16-11-06

Quota’s en positieve discriminatie

voortgezetonderwijsHet gebeurt niet veel, maar dit keer moet ik in grote lijnen akkoord gaan met het standpunt van Bart De Wever over quota’s en positieve discriminatie. Wel zou ik de klemtonen enigszins anders leggen. Persoonlijk heb ik het ook nog nooit een goed idee gevonden om door middel van positieve discriminatie de diversiteit te bevorderen, omdat men daardoor inderdaad het risico loopt bepaalde bevolkinsgroepen nog meer te gaan stigmatiseren. Eigenlijk is dit een beetje een vorm van betutteling, en toont dit ook aan dat we mensen in hokjes blijven stoppen, terwijl we iedereen op een gelijkwaardige manier moeten kunnen behandelen. Quota's daarentegen zijn wel een goed middel om regelmatig een organisatie aan te toetsen, en kan een stimulans zijn om te blijven zoeken waarom bepaalde quota's niet gehaald worden. Het komt er dus op aan ervoor te zorgen dat enerzijds iedereen dezelfde kansen en middelen krijgt, en anderzijds alle mogelijke drempels, die er kunnen voor zorgen dat iemand uit een bepaalde bevolkinsgroep met de nodige capaciteiten toch niet aangeworven geraakt, weg te werken. Vooral aan dat laatste moet er nog veel gewerkt worden, en ik heb de indruk dat De Wever zich eerder focust op het eerste. Het is uiteraard belangrijk dat iedereen met gelijke troeven naar de arbeidsmarkt kan trekken, en daarvoor moet de uitval van bepaalde jongeren zoveel mogelijk tegengegaan worden. Ik zou dit echter ruimer willen zien dan alleen een bepaalde groep van allochtonen. Laat ons eerlijk zijn, ons onderwijs slaagt er nog steeds veel te weinig in om studeren aantrekkelijk te maken. Daarom ook dat de omgeving waarin jongeren opgroeien erg bepalend is voor het studietraject dat leerlingen volgen. Kinderen die van thuis uit gesteund worden, en voelen dat ouders het goed vinden als ze zich inzetten voor school (let op mijn woordkeuze, er mag hier geen sprake zijn van druk vanuit de ouders) zullen daarin meestal hun motivatie vinden om toch door te zetten (want de loyaliteit van kinderen t.o.v. hun ouders mag niet onderschat worden), al is het meestal wat tegen hun zin. Kinderen die die steun niet krijgen lopen een groot risico om al snel kopje onder te gaan, omdat ze geen zin hebben om mee te draaien in een systeem waarvan ze het nut helemaal niet inzien en dat nog niet eens boeiend is op de koop toe. Vandaar dat hier een grote uitdaging ligt voor het onderwijs. Ondertussen weten we nu al (hoop ik) dat we kinderen meer kunnen motiveren door zoveel mogelijk vanuit hun leefwereld te vertrekken om de leerstof aan te brengen, maar wie heeft voldoende zicht op de leefwereld van de groep die het snelst afhaakt ?  Onderwijs is dus één zaak, maar ondertussen zou ik bijna ook vergeten wat eigenlijk nog belangrijker is, de houding van de bedrijfswereld tegenover de diversiteit van de werknemers die zich aanbieden. Nog altijd verwacht men werknemers die voldoen aan een bepaald profiel, die dus passen in de toch redelijk harde omgeving van de traditionele economie. Zoals ik in één van mijn vorige bijdrages al schreef, eigenlijk zou de bedrijfswereld moeten kijken naar de diverse mensen die zich aanbieden, en proberen te zoeken hoe men deze mensen een job zou kunnen geven die bij hen past. Zo zou de sociale economie, die volledig op dit principe gebaseerd is, op termijn grotendeels overbodig kunnen worden. Dit is natuurlijk wishful thinkitkledng, want uiteindelijk moet iedereen die wil meedraaien in de traditionele economie zich aanpassen aan de regels die daar gelden. En dat is dan ook de reden waarom het onderwijs nog teveel een bepaald type mensen probeert af te leveren, waardoor er weinig ruimte is om rekening te houden met de eigenheid van de leerlingen. Vandaar ook mijn stelling dat de eerste prioriteit een mentaliteitswijziging bij de werkgevers zou moeten zijn, de rest zou dan misschien automatisch volgen.

De commentaren zijn gesloten.